Rhythm & Blues Night 2026, Groningen
Kendra Morris, de New Yorkse storyteller, zet gelijk de toon. Haar gitarist speelt fantastisch en zo ziet ze er ook uit; psychedelisch en krachtig. De blues heeft een smoel en mag gezien worden. Of eigenlijk vele gezichten, maar die mogen allemaal gezien worden. En gehoord. Houd de oordoppen bij de hand.
The Buttshakers is een van de meest soulvolle acts van de avond. Ze starten met het aanstekelijke ‘Good intentions’. Het zindert gelijk. De frontvrouw heeft een fantastische uitstraling en maakt veel contact met het publiek. Met haar glitterschoenen maakt ze subtiele danspasjes die passen bij optredens van een motown act in de 70’s. De Franse band heeft twee blazers. Aan het eind zegt ze dat ze zweet als een otter en om er zeker van te zijn dat het publiek dat ook doet proeft ze even een druppel zweet van een bezoeker. Veel lol en plezier op het podium, maar ook bittere ernst als ze een pleidooi houdt voor niet wegkijken bij onrecht. Niet alleen bij een genocide maar ook bij politiegeweld. Het nummer ‘Not in My Name’ is naar aanleiding van Floyd. Het is indrukwekkend, temeer ze zingt als een James Brown. Zonder oortje ook nog! Muzikaal spettert het. De lange trombone solo wordt met luid enthousiasme beantwoord. Ze houden het publiek moeiteloos vast, wat nog luider juicht na een solo van de saxofonist.
The Long Ryders zingen “I want you” maar het is twijfelachtig of het publiek dat ook wil. De zaal is nog niet half vol. Het nummer klinkt echter wel erg lekker. De lome sound en de gitaarmuur doen denken aan Neil Young zijn lange elektrische songs en de Jawhawks. Dat laatste blijkt niet zo vreemd want Stephen McCarthy treedt regelmatig op met deze band. Het nummer erop associeert iets minder met lange ritten door desolate landschappen maar iets meer met truckercafés. De gitaar die klinkt als een sitar maakt het wel origineel. De band bestaat al vanaf 1981 en heeft de naam de grondlegger te zijn van de Alt-Country. Aangekondigt als een brug tussen Gram Parsons en Wilco. De beloofde punk energie (Sid Griffin zat aanvankelijk in een punkband) zien we niet gelijk. De muzikanten rouleren de zang met zijn drieën. Sid Griffin houdt geregeld zijn gitaar omhoog, maar de vonk slaat in elk geval bij ons nog niet over. Ze zouden misschien wel wat charisma van de Buttshakers kunnen gebruiken.
Vanaf de met Spaanse pepers gekruide La Perra Blanco kun je je oordoppen in doen en inhouden. De grote bassist heeft een grote bas en een grijns van oor tot oor. Met open mond rolt hij door het repertoire, altijd lettend op want de kleine frontvrouw allemaal uitvreet. Ze speelt op een gitaar die niet van haar is en stuitert op het podium als de zanger van ACDC. Een aangespannen energie die alle kanten op kan ontladen. En dat doet ze. Ze legt nog even uit dat de bandnaam ‘hond’ betekent, want dat is zij. Een wilde hond. “Treat me (like a man should do)’, ‘It’s Fun But It’s Wrong’ knallen als een malle. En laten net als 'Goodbye Baby You Don’t Mean Too Much Too Me (fuck off)‘ haar rebelse kant horen. De organist pakt een saxofoon erbij in 'Supersonic Lover’. Het instrumentaaltje ‘La Furia’ is een combi van surf en Texaans / Mexicaanse ritmes en het beste wat we tot nu toe hebben gehoord. Het intro is geïmproviseerd; je ziet de drummer de licks van Alba Blanco volgen en kijkt gefocust wanneer hij moet rammen. Soms hoofdschuddend. Wat een dynamische band is dit.
Cordovas zou diepe poëzie combineren met roots rock en country soul. En ook nog met psychedelische funk. Dat is een hoop. Maar het klopt, het is een erg volle sound. De zanger, immer heftig orgel spelend, zingt iets ingetogen en de meerstemmige harmonieën (zoals in ‘Destiny’) zijn erg sterk. De drummer volgt hem onophoudelijk alsof hij de bassist is. We denken aan The Allman Brothers Band, maar zeker ook aan The Band. De gitarist is erg bluesy. Je ziet hem duelleren met de akoestische gitarist. Het oude Amerika komt in iconische beelden naar je toe met zinnen als ‘Standing on the porch with some money in your hand”. Het publiek wordt na elk nummer steeds enthousiaster.
Nathan Bell speelt met The Right Reverend Crow zittend in de volle binnenzaal. Maar wel op zo'n manier alsof ze op hun veranda zitten te spelen in de avondzon. Hij vertolkt de blues van protest en de minder bedeelden. Luister eens naar het sarcastische ‘Red, White and the American Blues’. Of zoals hij hier zegt, ”Being black is always against the law”. De erg diepe bas alleen al maakt indruk op 'Christmas in Tennessee’. Geen jingle bell kerstnummer maar een aanklacht tegen de gouverneur. Hij kondigt waarschuwend zijn repertoire aan als een verzameling deprimerende nummers. Maar het gaat tenminste ergens over, en erg goed gespeeld.
De eerste solo van Luther Dickinson is zo vet en smerig. Alsof hij het monster van Loch Ness uit de moerassen omhoog trekt. Meesterlijk zoals hij een diepgeworteld verlangen, mistroostigheid en weemoed uit een instrument kan persen. De slide is rauw en puur. De artiest die we kennen van de North Mississippi Allstars heeft veel gedaan met betrekking tot het erkennen van oude bluesmuzikanten die geen of amper platen hadden gemaakt. Deze vorm van blues is repeterend, rauw en erg verhalend, doorspekt met zelfspot. Deze zogenaamde Hill Country Blues is verweven met het label Fat Possum. Ook Junior Kimbrough is daaraan verwant, een van zijn inspiratiebronnen. Zijn nummer ‘Lonesome in My Home’ wordt fraai gezongen door Dickinson zelf, maar hij spreekt met zijn gitaar. Dat doen beide gitaristen. Wat we zien is een supertrio van Dickinson, JD Simo (die werkte met Jack White en Beyoncé) en Adam Abrashoff. Ze maakten ‘Do The Rump', een album met bekende Hill Country Blues tracks. Er is echter een luchtgitaarspelende zanger bij vandaag; Datrian Johnson. Hij weet al het gefreak aan elkaar te smeden met een flinke saus soul. Zijn volle stem staat echter op de tweede plaats want de kraakheldere gitaar noten klinken erg dichtbij. In feite zien we drie zangers, waarbij Simo ook een verdienstelijke kopstem heeft. Maar het is een smeltkroes van zang en gitaar. De bas wordt afwisselend gespeeld door JD Simo en Dickinson. En soms lijkt het een lange jam, waar ‘K.C. Jones’ en Didleys ‘Who Do You Love’ in de blender wordt gesmeten. Klassieker ‘I'm a King Bee’ krijgt een geheel eigen bewerking en het laatste nummer is intens. Ze zitten alle drie naast elkaar en JD Simo zijn solo slaat de laatste zweetdruppels van zijn voorhoofd. Erg sterk.
Jerron Paxton heeft erg veel stijl en klasse. Hij lijkt met zijn bruine kleding zo het decor van een westernfilm te hebben verlaten. Zijn humor is raak, maar hij kijkt het publiek maar amper echt aan. Hij heeft zijn eigen bubbel gemaakt. En deze staat bol van vakmanschap. Alleen al het zien van de banjo is een museumervaring. Hij speelt er een nummer op, zittend, zonder zang. Het publiek vindt het fantastisch. Met de mondharmonica speelt hij alsof hij zijn laatste adem te vergeven heeft, maar nog zo lang mogelijk wil excelleren. Minutenlang, ononderbroken. Het publiek wordt nog enthousiaster. De akoestische gitaar bespeelt en streelt hij alsof het een geliefde is. Het krijgt een warme behandeling. Hij zelf ook.
Canyon Lights speelt zo luid en met zo veel distortion dat het bijna niet te doen is. Toch hoor je hoe lekker broeierig het is, en hoe fijn de stem van de zanger is. Het is ruige, harde en scherpe blues van Tim Carman en Pat Faherty. Die laatste komt uit Ga-20 en dat hoor je. Rauwe blues met stevige rock. Je hoort ze soms in de grote zaal door Robert Finley heen. De muzikant uit Louisiana heeft een bijna volle zaal. En dat is zijn sound ook. Het doet ons denken aan de eveneens uit Louisiana afkomstige Clarence ‘Gatemouth’ Brown. Pas op 62-jarige leeftijd brak hij door en hij begint met het uiten van zijn oprechte dankbaarheid. Het is ook nog maar tien jaar geleden. De oude man in colbert, zwarte hoed, zonnebril heeft een te gekke donkere en rauwe stem. De zangeres die hem aan de hand begeleidt bij opkomst, zingt fantastisch de tweede stem. Dit geeft het een echte Louisiana vibe; het is vol, levendig en nooit saai. De gitarist zorgt voor de slingers, getuige bijvoorbeeld ‘Livin’ Out of A Suitcase’. De zangeres blijkt Christy Johnson te heten en is zijn dochter die al sinds haar tweede met hem speelt. Zijn verhalen zijn doorspekt met levenslust (‘Take it when you can get and get it while you can’) en mooie uitspraken. En zijn pleidooi voor ouderenzorg verdient een publiek; “Je zou ernaar uit moeten kunnen kijken, een verzorgingstehuis, ipv dat ze je levenslang geven voor een misdaad die je niet hebt gepleegd’. Bel je oude familie es op dus.
The Animeros hebben veel percussie. Fraaie trommels glimmen vooraan op het podium, met daarachter een stralende muzikant. Ze hebben allemaal een zonnebril op. De sound is onmiskenbaar Latijns-Amerikaans, en de zon begint na de twee instrumentale nummers te schijnen. Ze staan goed geprogrammeerd op het eind, de plek waar de heupen los kunnen en iedereen kan kennismaken met een rijke mix van Columbiaanse Cumba en Mexicaanse Bolero. Deze band is overigens ontdekt door Dan Auerbach (Black Keys) die ook Robert Finley heeft ontdekt.
Het was een erg sterke programmering. Ruig en hard. Veel bands weten op eigen en originele manier oude blues sentimenten te verkondigen, zoals Luther Dickinson en JD Simo. Een groot aantal met eigen nummers gebaseerd op eigen ervaringen. Geen vertolking, geen ‘smaakje’, maar echte eigen doorvoelde blues. zoals La Perra Blanco. Ambacht en experiment gingen hand in hand.
© Marten Siegers



